Collectieve herinnering

Collectieve herinnering

Net als in de meeste oorlogvoerende landen zijn de Belgen er zich al tijdens de oorlog van bewust hoe belangrijk de gebeurtenissen van en tijdens de oorlog zijn.

De behoefte om de martelaren, helden – zowel burgers als militairen – en heldendaden tijdens de oorlog te herdenken, laat zich al snel voelen door de publieke opinie die het vaderland verheerlijkt en een algemene afkeer voor de"moffen" voedt. Grote symbolische figuren zoals Koning Albert I (alias Koning-Ridder), burgemeester Adolphe Max en Gabrielle Petit, worden vurig gelauwerd. De rouw van de natie drukt zich in het bijzonder uit tijdens de repatriëring van de onbekende soldaat naar Brussel in 1922 en diens begrafenis aan de voet van de Congreskolom.

Ontelbaar veel monumenten ter herdenking van de Belgische doden en de geallieerden worden overal in de stad opgetrokken in open lucht, maar ook binnen openbare plaatsen, zoals scholen, stations en kerken. Het leed van de burgerbevolking wordt echter niet of nauwelijks herdacht, maar de wetgever kent de weduwen en moeders van verdwenen soldaten en politieke gevangenen wel een uitzonderlijk stemrecht toe.

Het Archief van de Stad Brussel tracht van zijn kant tijdens het interbellum zo veel mogelijk sporen van het dagelijkse leven tijdens de bezetting te bewaren door documenten en patriottische voorwerpen talrijk te verzamelen, zoals bijvoorbeeld de Collectie Eugène Keym.