Religieuze praktijken

Tijdens crisissen, zoals de Eerste Wereldoorlog, zijn de burgers geneigd hun toevlucht te vinden in godsdienst.

CPAGM34-005 De Brusselaars gaan ter kerk, hopend op een betere toekomst. Zij bidden voor hun ouders aan het front of in gevangenis, hun te voeden kinderen, hun bescherming in geval van bombardement.

Peligrimstochten worden georganiseerd, bij voorbeeld naar de grot van Onze-Lieve Vrouw van Lourdes te Jette, op 15 Augustus 1915 in aanwezigheid van 20.000 kerhangers ingehuldigd.

Het religieuze leven wordt sterk ingekaderd door Kardinaal Mercier, aangetrokken door vaderlandsliefde en fel gekeerd tegen iedere vorm van samenwerking met de vijand. Merdere hulporganisaties dragen eveneens het merkteken van christelijke liefdadigheid.

Van hun kant, zijn de Duitsers in Brussel ook spiritueel bezorgd: katholieke missen, maar ook evangelische en israelitische erediensten worden georganiseerd op sommige plaatsen voor de militairen in garizoen of met verlof.

Na de oorlog, de religieuze praktijk vermindert in Europa. Veel soldaten die van het front terugkomen, zijn getroffen door de vele geziene oorlogsgruwelen en geloven niet meer in God. Het vervallen van de kerkelijke invloeden is begonnen, en dit ondanks de vele herdenkingsceremonies door de clerus georganiseerd of de volksdevotie voor de Heilige Maagd Maria, ook gestimuleerd door de verschijningen in Fatima tussen 1915 en 1917.