Voeding

Vanaf augustus 1914 worden de Brusselaars getroffen door een groot tekort aan voedingsmiddelen.

voeding De hele economie is verlamd door de nationale en internationale situatie. Door de Duitse verdrukking en het reisverbod zijn het de primaire voedingsmiddelen die het snelst op geraken: melk, boter, brood, aardappelen, suiker en koffie worden verdeeld volgens strenge reglementeringen en het aantal monden dat per gezin gevoed moet worden. Al snel ontstaat er een parallelle economie met een zwarte markt, kennisnetwerken en clandestiene transporten. Naar aanleiding van de omstandigheden moeten de mensen roeien met de riemen die ze hebben. Sommige stedelingen gaan hierdoor aan de slag als amateur-tuinbouwer in hun stadstuintje, in openbare parken en zelfs langs de boulevards.

Een grote internationale solidariteitsbeweging, de "Commission for  Relief in Belgium", probeert te voorzien in het dramatisch tekort aan voedingsmiddelen door bepaalde noodzakelijke producten uit Spanje, de Verenigde Staten en Nederland in te voeren. Het in september 1914 opgerichte "Nationaal Hulp- en Voedingcomité", onder voorzitterschap van Ernest Solvay, krijgt diplomatieke bescherming en staat in voor de eerlijke verdeling van de producten, met de steun van diverse geldschieters en de hulp van ontelbaar veel vrijwilligers.