Vrouwen en kinderen

Tijdens de oorlog staan de vrouwen er alleen voor om in de elementaire behoeften van hun gezin te voorzien.

vrouwen en kinderen Meer dan 4000 werkloze arbeidsters vinden werk in de textiel- en confectie-industrie dankzij bestellingen uit de Verenigde Staten. De bourgeoisie,  aristocrates en andere rijke dames wijden zich dan weer voornamelijk aan humanitaire hulp. Een grote groep vrouwen zet zich ook in voor het Verzet.

De prostitutie, onder toezicht van de zedenpolitie, neemt aanzienlijk toe door de sterke aanwezigheid van het Duitse bestuur en Duitse soldaten die op doortocht zijn in Brussel of in de stad gestationeerd zijn.

Vlak vóór de oorlog stemt het Belgische Parlement de wet betreffende de leerplicht die alle kinderen van 6 tot 14 jaar, jongens én meisjes, verplicht om naar een basisschool naar keuze te gaan. Bij niet-naleving van de wet hangt de ouders een gerechtelijke straf boven het hoofd. Ook tijdens de bezetting loopt het onderwijs in Brussel onverminderd voort, want de Duitse autoriteiten passen de Belgische wetgeving op dat vlak wel toe. De bezetter heeft echter wel een invloed op de keuze van de voertaal op school en dringt erop aan dat de lessen in het Duits gegeven worden.

Omdat de Stad Brussel zich vóór de oorlog al zorgen maakte over de voeding van de kinderen, verdeelt ze gedurende het hele conflict soep en brood in de schoolrefters, met de financiële steun van de Brusselse afdeling van het "Nationaal Hulp- en Voedingscomité".

De kinderen in de bezette stad krijgen veel aandacht, maar de weeskinderen nog het meest. Er komt maar geen einde aan de oorlog en speciale campagnes (zoals die van "Les Petites Abeilles") worden op poten gezet om hen van eten en kleren te voorzien. De initiatieven voor de bescherming van de kinderen zijn zo succesvol dat er in 1917 veel minder kinderen sterven dan in de jaren ervoor.